Achtergrond

Wederopbouwkunst in Overijssel

In het in 2009 door Het Oversticht gepubliceerde boekje ‘Kunst in Beeld, monumentale kunst uit de wederopbouwperiode’ staan 147 kunstwerken uit Overijssel. Deze inventarisatie, die mogelijk gemaakt werd door het programma Naoorlogs Bouwen in Overijssel dat gesubsidieerd werd door provincie Overijssel, geeft een overzicht van een deel van de schat aan wederopbouwkunstwerken die Overijssel rijk is.

Gepubliceerd09-08-2017
ThemaWeer waardering voor de wederopbouw

Na de Tweede Wereldoorlog werden grote hoeveelheden woningen en publieke gebouwen uit de grond gestampt. Door de percentageregeling, die inhield dat 1% van de bouwsom aan kunst besteed moest worden, ontstond een enorme hoeveelheid kunstwerken. En niet alleen in en aan gebouwen, maar ook in de openbare ruimte. Deze kunst is, hoewel voorheen in zeer ruime mate aanwezig, door een aantal factoren wel zeer bijzonder. Niet alleen vond nagenoeg de gehele productie ervan plaats binnen een relatief kort tijdsbestek van circa 20 jaar, maar ook werden oude kunsttechnieken zoals mozaïeken of wandschilderingen nieuw leven ingeblazen. Nieuwe technieken ontstonden er ook zoals glas-in-beton en glas applique. Wat vrijwel alle werken gemeen hebben, is het optimisme en de morele en opvoedkundige symboliek die ze uitstralen: het geloof in een wereld die al maar beter wordt. 

Veel verdwenen
In de afgelopen jaren is er veel naoorlogse bouw verdwenen en daarmee ook de bijbehorende kunst. Slechts enkele werken in Nederland zijn wettelijk beschermd als onderdeel van een rijksmonument, maar het gros is vogelvrij. In de eerder genoemde publicatie ’Kunst in Beeld’ wordt naast een eerste inventarisatie ook een stappenplan beschreven voor hergebruik van deze kunst. Maar nu, een paar jaar verder, blijkt dat herbestemming van deze kunst toch lastiger is dan gedacht. De grootste hindernis is het gebrek aan (politiek) draagvlak. De idealen van de wederopbouw worden niet meer begrepen en de architectuur wordt als saai en lelijk bestempeld. Door deze gewijzigde context is de kunst, soms letterlijk door overschildering, voor velen niet meer leesbaar en daarmee niet van belang. Daarbij komt dat de kunst vaak nagelvast aan het gebouw zit, waardoor hergebruik voor een grote kostenpost zorgt; een mozaïek bik je er niet even af, daarvoor moet je de gehele wand uitzagen, verpakken, speciaal vervoeren, eventueel opslaan en weer herplaatsen en restaureren. Deze combinatie van gebrek aan draagvlak en hoge kosten zorgen voor zeer langdurige processen, die alleen slagen door inzet van zeer vasthoudende liefhebbers en deskundigen.

Optimistisch blijven
Nee, het zijn er zeker geen 147 meer. En de voorspelling is dat het aantal in de komende jaren verder zal gaan dalen. Daarentegen is er ook zeker een aantal succesverhalen te vertellen. Zoals in Zwolle zuid. In de hal van woontoren Bellevue, de hoogste woontoren van Zwolle, is in 2010 een kunstwerk herplaatst van Louis van Roode. Dit ruim 3 meter brede en 10 meter hoge glas-in-beton raam, dat zo’n 4 ton weegt, is daar met geld van de vereniging van eigenaren geplaatst. Het geld was voor de inrichting van de hal bestemd en er werd voor gekozen een werk van Van Roode uit de Rotterdamse bank in Eindhoven een tweede leven te geven. Het werk was tot 2008 in bezit van ING, die daarna besloot het op de herplaatsingsdatabase te plaatsen. De vve van de Bellevue kreeg het cadeau, met de voorwaarde dat dit duidelijk zichtbaar vermeld werd. De kosten voor de herplaatsing zelf kwamen zoals gezegd voor rekening van de vve.

  
Nieuw leven voor kunstwerk van Van Roode

Ook in Hardenberg slaagde een herbestemmingspoging uiteindelijk. In het oude, inmiddels gesloopte schoolgebouw van het Greijdanus, een school voor gereformeerd voortgezet onderwijs, zat een keramisch reliëf van gebakken en geglazuurde klei. Het stelt de zeven scheppingsdagen voor en is in 1967 gemaakt door de Groningse kunstenaar Anno Ferdinand. Het werk, dat zich bevond op een gemetselde wand, werd tijdens de sloop niet meteen weggegooid, maar ingepakt en opgeslagen, eigenlijk omdat men er niet uit was wat ermee te doen. De architect van de nieuwbouw van de school was, hoewel hij het wel had ingetekend op de nieuwbouwplannen, niet van plan het kunstwerk te herplaatsen en de bouwcommissie en gevormde stuurgroep waren ook niet erg enthousiast. Een bevlogen docent kreeg het samen met een nieuwe vestigingsdirecteur voor elkaar het kunstwerk te conserveren en te voorzien van een zinken omlijsting. Het werd niet meer in de school opgenomen, maar kreeg een waardige plaats op het buitenterrein.

Hetzelfde gelukkige lot had het ‘steigerende paard’ van Marie van Eijl-Eitink. Gemaakt voor de textielschool aan de Hengelosestraat in Enschede in 1954, was het jarenlang het beeldmerk van de school. De laatste gebruiker van de school, het ROC, verhuisde in 2009 naar een spectaculaire nieuwe locatie, de oude Stork ijzergieterij in Hengelo. In dit immense gebouw kreeg het toch zeer bescheiden paard een ereplaats bij de ingang het gebouw, als sterk merk voor de school.
 

Auteur

Maartje van Hellemondt

Maartje van Hellemondt

architectuurhistoricus

Stuur een bericht

Contact

Stuur een bericht en
u ontvangt zo snel mogelijk een reactie.