Achtergrond

Functioneel groen

Sinds de aanleg in de jaren '60 is in veel wederopbouwwijken de kwaliteit van de openbare ruimte achteruitgegaan door het dichtzetten van doorzichten of open ruimten en verschraling in het beheer en onderhoud. 

Gepubliceerd10-08-2017
ThemaWeer waardering voor de wederopbouw

In de naoorlogse wijk Klein Driene / De Noork in Hengelo zijn plaatselijk veranderingen aan  te wijzen die afbreuk doen aan de oorspronkelijke opzet. Ook hier heeft verschraling van het openbaar groen plaatsgevonden. Tegelijkertijd is uit onderzoek van een aantal enthousiaste bewoners gebleken dat in de wijk zoveel bijzondere bomen en struiken staan dat met recht gesproken kan worden van een Arboretum (bomenverzameling)!

De wijk kent twee verschillende delen. Klein Driene I is ontworpen in opdracht van de toenmalige woningbouwverenigingen Ons Belang en St Jozef. De ontwerpen van de woningen van Ons Belang waren afkomstig van het bureau H. en A.H. Klomp uit Enschede, die van St. Joseph van het bureau H. van Putten uit Bussum. De groenstructuur wordt in hoofdzaak gevormd door de profielen van de vier hoofdstraten: een rijbaan met aan weerszijden trottoirs en grasstroken waarin bomen en struiken staan. Deze vorm van groenaanleg was niet alleen esthetisch en rustgevend, ze had ook een opvoedkundig karakter. De naoorlogse wijken waren ingericht op basis van de wijkgedachte: het idee dat een wijk een sociale en ruimtelijke eenheid was, waarin de straat de basis was voor het jonge gezin, de buurt fungeerde als sociale ruimte voor de school en de winkel . en de wijk de grootste sociale eenheid was.

Tegenwoordig worden het openbare groen en de collectieve ruimtes als onveilig ervaren en treden er beheerproblemen op als gevlg van kleinere budgetten. Daarnaast voldoen de woningen niet meer aan de eisen van de tijd, wat betreft comfort en oppervlakte, maar ook wat betreft de verhouding privé en openbaar. In Klein Driene I is woningbouwvereniging Welbions bezig met een moderniseringsslag. De groene omgeving wordt daarbij zoveel mogelijk gespaard.


Hengelo, Klein Driene

Kwantitatief groen
De naoorlogse wijken breken met de vooroorlogse traditie van bouwen in gesloten bouwblokken met afgesloten (groene) binnenterreinen. Voor verbetering van licht en lucht toetreding werd gebruik gemaakt van een meer open verkaveling, waardoor het groen de wijken binnenstroomde. Hiermee werd niet alleen een nieuwe manier van bouwen geïntroduceerd, ook voor de inrichting van de openbare ruimte betekende dit een omslag.

Het denken over groene ruimten in de stedenbouw werd bepaald door verschillende thema’s. Allereerst werd er, parallel met de ontwikkeling van het juridisch denken over planning, over gedacht in termen van functietoewijzing aan de grond. Juist de ‘moderne’ stedenbouw van de wederopbouw ontleedde de stad in functies: wonen, werken, recreatie en verkeer. ‘Groen’ hoorde tot de recreatie en bij de planning werd erover gesproken in kwantitatieve termen.

In het stedenbouwkundig ontwerp werd gerekend met hoeveelheden ‘recreatie’ op verschillende schaalniveaus: een groene vlek met zandbak bij een blok, groenstroken en buurtpark op het niveau van de wijk en een ‘bos’ op de schaal van de stad. De groenzones op wijkniveau werden zo veel mogelijk geschakeld, zodat groene routes ontstonden, waaraan scholen en winkels werden gesitueerd. Zo hingen de hiërarchieën binnen ‘groen’ en ‘verkeer’ met elkaar samen: op de langzaamverkeerroute door het groen konden kinderen veilig naar school en als moeder (!) ze had gebracht, kon ze en passant boodschappen doen. Het ‘bos’ op schaal van de stad kreeg in Amsterdam met het Amsterdamse Bos een mooi hoogtepunt. Op veel plaatsen kon zo’n aanleg achterwege blijven, als in het ‘buitengebied’ voldoende recreatieruimte kon worden gevonden.


Amsterdam, Slotermeer

Het ontwerp van het woongroen en buurtgroen sloot vaak aan bij de moderne en rechtlijnige stedenbouwkundige structuur en was ingericht met royale grasvelden, verharding voor straten en stoepen, bomen en heesters daarlangs en een enkel bloem- of rozenperk. Bij grotere groenoppervlakken werd soms afgeweken van de rechtlijnige vormgeving en ontstonden meer vloeiende lijnen.

Kwalitatief groen
Behalve in kwantitatieve termen werd ook over de kwaliteit van ‘groen’ nagedacht. Net als nu werden aan groen eigenschappen toegedicht, die de noodzaak ervan benadrukten. Lucht en ruimte waren veel genoemde aspecten in de modernistische stedenbouw, die zich lang bleef afzetten tegen de ongezonde volgepropte 19e eeuwse binnensteden. Zonder te beschikken over de meer precieze ecologische terminologie en gegevenstabellen die we tegenwoordig hanteren, bestond een stellige notie dat de aanwezigheid van groen bijdraagt aan een gezonde lucht, maar ook aan demping van geluidsoverlast. Groen werd dan ook in het stedenbouwkundig ontwerp ingezet als ‘buffer’ tussen de verschillende functies, zoals verkeer en wonen of wonen en werken, waar het als scherm voor zicht en geluid een intensievere grondexploitatie mogelijk maakte. 

Maar groen werd ook de stad binnengehaald om het contact met 'niet-stad' te organiseren. Zo hebben heel wat stedenwijken een stelsel van ‘groene vingers’ of een of meer lobben die als ‘groene long’ moeten werken. Ook hier geeft Amsterdam het voorbeeld, maar we vinden ze ook in Zwolle, Almelo, Hengelo, etc.


Hengelo, Klein Driene

Het ontwerp van de naoorlogse groenstructuur sloot vaak aan op het omringende landschap dat hierdoor de wijk doordringt, zoals bij de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam. De groenontwerpen van de nieuwe stadswijken werden meestal verzorgd door de gemeentelijke afdelingen groenvoorziening. De inrichting van het groen is echter niet altijd zo vormgegeven als de ontwerpers zich hadden gewenst. Dit omdat de groenvoorziening meestal de sluitpost van de begroting was.

De stedenbouw van na de oorlog werd in sterke mate bepaald door ontwerpers die hun opleiding aan de TH in Delft hadden gehad. Daar doceerde Granpré Molière een meer traditionele opvatting over de bouw van woonsteden, terwijl Van Eesteren daar vanaf 1948 het icoon van de modernistische (functionalistische) stedenbouw werd. Op een studiedag in 1951 ontmoetten de beide werelden elkaar. Voor Granpré, belijdend katholiek, startte de redenering bij de samenhang van huis en tuin als thuisbasis voor het gezin. Vanuit de sociale verbanden waarin dat gezin opereerde, ontstonden behoeften aan meer collectieve voorzieningen, zoals wijkparken of recreatieruimten. Zijn termen ware filosofisch, op het theologische af, maar zijn conclusies over hoeveelheden, schalen en kwaliteiten van groen weken van die van Van Eesteren niet veel af.  Liepen de discussie tussen de twee stromingen in die jaren nogal eens hoog op, bij deze studiedag konden de vaandeldragers het eigenlijk wel met elkaar eens zijn. Al bleven de termen, waarin ze hun ontwerpopvattingen presenteerden, sterk verschillen. 

Educatief groen
Die gemeenschappelijke grond betekende wel dat hele generaties ingenieurs-ontwerpers met dezelfde uitgangspunten over de betekenis van ‘groen’ in het stedenbouwkundig ontwerp, de opgaven in het land te lijf gingen. Holtenbroek, Deppenbroek, Hengelose Es, Nagele of Creil: waar het over de structuur van ‘groen’ gaat, zijn de verschillen niet groot. Wel kunnen de uitwerkingen door verschillende tuin- en landschapsarchitecten (het vak dat je eerder in Wageningen leerde)  heel verschillend zijn. Soms is er de behoefte aan meer activiteit, soms aan ‘rust’, een enkele keer aan opvoeding, zoals in Klein Driene in Hengelo, waar met de keuze van het sortiment beplanting gestreefd werd naar een arboretum. Met bordjes die de soorten aanduidden werd de stadbewoner iets meegegeven over ‘natuur’, alsof Jac. P. Thijsse of Foppe Brouwer zelf met je meewandelden. Aan die natuuropvoeding konden ook de gebouwde vogelnesten bijdragen, die in menig trappenportiek werden aangebracht.


Hengelo, Klein Driene

Het collectieve belang van de ‘groene ruimte’ is tegelijk de achilleshiel ervan gebleken. Wie moet al die hectares groene openbare ruimte nog beheren? Allerlei maatschappelijke ontwikkelingen staan het ongestoord voortbestaan van die groene plekken nu in de weg. De beheerkosten zijn hoog, de sociale controle is niet meer die uit de naoorlogse decennia, het gebruik van de openbare ruimte is sterk veranderd, de mobiliteit is toegenomen zodat men de recreatie gemakkelijk elders opzoekt en de beleving van groen is ook al een andere. Zag Van Eesteren nog dat Amsterdammers ‘bos’ wilden om in de rand daarvan te kunnen zitten en gingen we in de jaren ’50 massaal ‘bermtoerist’ zitten spelen, nu zoeken we ‘groen’ en ‘natuur’ op hele andere wijzen op.

Op alle schaalniveaus heeft dat grote gevolgen: privatisering van de groene plotjes in de wijken, recreatiedruk op ‘natuur’-gebieden en bemoeienis van stedelingen met wat er op het platteland gebeurt. Van Eesteren beschouwde het landschap dat hij vanuit de trein zag, als openbare ruimte. Hij moest eens weten….

Auteur

Anneke Coops

Anneke Coops

landschapsarchitect

Stuur een bericht

Contact

Stuur een bericht en
u ontvangt zo snel mogelijk een reactie.