Achtergrond

Heren op het land

De buitenplaatsen van textielfabrikanten zijn typisch voor Twente en uniek voor Nederland. Nergens in ons land vindt men in een relatief klein gebied zo’n hoge concentratie jonge buitengoederen die gerelateerd is aan één tak van industrie. Het boek Heren op het land belicht de cultuurhistorische aspecten van deze bijzondere categorie jonge buitenplaatsen. In de index van het boek zijn ruim 90 (voormalige) buitenplaatsen en landgoederen opgenomen.

Gepubliceerd19-04-2017

De Twentse fabrikantenfamilies hadden, anders dan elites uit het westen van het land, een sterke band met het platteland. Voorgaande generaties werkten als rondreizende fabrikeur en kenden de boeren en boerderijen. In de hoogtijdagen van de textielindustrie kochten veel textielfamilies met een deel van de winst uit hun fabrieken een stuk grond als investering, vaak inclusief een boerderij. Zo kocht Johanna Berendina van Heek in 1819 Het Stroot, het eeuwen oud erf met boerderij en de bijbehorende gronden, van de stad Enschede. De nieuwe eigenares liet op een steenworp afstand van de boerderij een buitenhuisje bouwen. Ook liet zij een vijver aanleggen en een tuin inrichten waarin ‘wandelingen’ gemaakt konden worden. De activiteiten van deze tak van de familie Van Heek stonden zeker niet op zichzelf. Meer textielbuitenplaatsen in Twente zijn voortgekomen uit eeuwenoude boerenerven.

 



Herenkamers
De boerderij, vaak met een blekerij of ververij ernaast, werd soms uitgebreid met een speciale herenkamer, die door eigenaar van de gronden werd gebruikt om toezicht te houden op de werkzaamheden. De herenkamer bleek uitstekend geschikt als uitvalsbasis voor de jacht. Van deze vroege vorm van verblijven op het land zijn op enkele plaatsen in Twente nog voorbeelden te vinden. Om aan de steeds lawaaierig wordende stad te ontsnappen lieten grondeigenaren bij en soms zelfs praktisch tegen de boerderij een koepel bouwen waar ze met hun hele familie konden verpozen. Meestal ging het om eenvoudige gebouwtjes zonder keuken. Voor stromend water was de familie aangewezen op een bron of beek in de buurt. Deze eenvoudige buitenhuisjes waren, mede door de slecht begaanbare wegen in de winter, alleen in de zomermaanden bereikbaar. Rond de koepels werden kleine parken of pleziertuinen aangelegd.
 

Van heide naar bos
De aanleg van de landgoederen van textielfabrikanten had een ongekend grote invloed op het Twentse landschap dat voor de verdeling van de markegronden, de gemeenschappelijke ‘woeste gronden’, vooral uit heidegrond bestond. Na ontginning lieten zij er niet alleen prachtige tuinen aanleggen en uitgestrekte bosgebieden aanplanten voor de productie van hout én als jachtterrein. Aanvankelijk gingen de ontwerpopdrachten naar lokale tuinarchitecten. Vader en zoon Dirk en Pieter Wattez, maar ook Leonard Springer waren zeer geliefd bij de textielfamilies. Hoewel bijna alle markegronden tegen het eind van de negentiende op grote schaal waren verkocht, vond dat de grootste bebossing plaats in de crisis tijdens de jaren dertig van de twintigste eeuw. Samen met de mede door Gerrit Jan van Heek opgerichte Nederlandse Heidemaatschappij en met behulp van de nieuw ontwikkelde kunstmest werd ook veel nieuwe landbouwgrond aangelegd. De bestaande boerenbedrijven speelden daarbij een rol, maar ook nieuwe, experimentele boerderijen met een rationelere opzet en grotere stallen zagen het licht.

Engelse invloeden
Met het importeren van stoommachines en weefgetouwen uit Engeland nam de Engelse invloed op de Twentse textielfamilies toe. De gevierde fabrikanten stuurden hun zonen op stage in Engelse fabriekssteden, waar ze niet alleen in aanraking kwamen met de nieuwste productiemethoden, maar ook met de daar heersende modes en gebruiken. Op allerlei vlakken zien we die invloed terug de aanleg van buitenhuizen en parken van textielfamilies. Om te beginnen waaide de mode van het theedrinken over. Veelvuldig werd er thee gedronken in de buitenhuisjes en theekoepels. Deze dagverblijven werden in de loop der tijd uitgebreid tot of vervangen door zomerverblijven. Het Stroot, één van de oudste en meest exemplarische textiellandgoederen, doorliep alle in het boek geschetste stadia, van theekoepel tot royale villa. Na de aankoop in 1819 van de boerderij met bijbehorende gronden werd in verschillende fasen een monumentaal landhuis gebouwd door veranderingen en uitbreidingen aan een bestaande theekoepel. Het zomerhuis uit 1840 werd in 1884 uitgebreid met een serre door de bekende Enschedese architect Gerrit Beltman. Het omringende terrein was inmiddels omgevormd tot een landschapspark naar ontwerp van Pieter Wattez. Tussen 1922 en 1927 werd de serre door de Amsterdamse architect Karel Muller en zijn uit Hengelo afkomstige compagnon Anton Beudt verbouwd tot tuinkamer en conform de Engelse mode uitgebreid met een ‘hall’, bibliotheek en zitkamer. De tuin kreeg een geometrische vijverpartij ontworpen door Theodoor Johan Dinn.

Buiten wonen
Geen buitenplaats zonder binnenplaats: de vaste woning in de stad. Daarom is in het boek ook een hoofdstuk gewijd aan deze woonhuizen, die vaak een centrale plek innamen in de stad en in het leven van de verschillende textielfamilies. Na de overschakeling van de huisweverij naar de industriële productiewijze lag de stadswoning meestal in de directe omgeving van de fabriek. Daarom werden vanaf het begin van de twintigste eeuw steeds meer zomerhuizen verbouwd tot permanente onderkomens. Voor het ontwerp ervan werd steeds vaker een landelijk bekende architect in de arm genomen. De huizen werden voorzien van de meest moderne installaties om ze van een hoog niveau van comfort te voorzien. Interieurspecialist Barbara Laan verzorgde het hoofdstuk over de bijzondere en vaak nog verrassend goed bewaarde interieurs.

Toekomst
Na de val de textielindustrie in de jaren ’60 bleek het moeilijk om landgoederen en buitenplaatsen op een goede manier in stand te houden en te beheren. Onderhoud van de forse landhuizen en de vaak uitgestrekte landgoederen kost veel en de inkomsten van aan het landgoed gerelateerde economische activiteiten, zoals landbouw en vooral bosbouw, zijn sterk teruggelopen. In het boek zijn een aantal verrassende voorbeelden opgenomen van nieuwe functies. Zo is het voormalige koetshuis van het Stroot op passende wijze getransformeerd tot vier verhuurbare kantoorunits, die bijdragen aan de benodigde financiën om het landgoed te beheren.

 

Het boek is met subsidies van de Provincie Overijssel, het fonds voor fotografie en het Prins Bernhard Cultuurfonds samengesteld. De afgelopen jaren heeft de provincie Overijssel financiële en inhoudelijke ondersteuning geboden bij het ontwikkelen van ideeën om landgoederen rendabel te maken, onder meer door nieuwe functies. Landgoedeigenaren kunnen daarbij de hulp inroepen van de landgoederenconsulent of onze ervenconsulent om de boerenerven op hun landgoederen door agrarische exploitatie of nieuwe invullingen te laten bijdragen aan de instandhouding van deze bijzondere gebieden.

Auteur

Mascha van Damme

Mascha van Damme

architectuurhistoricus

Stuur een bericht

Contact

Stuur een bericht en
u ontvangt zo snel mogelijk een reactie.