Achtergrond

Groei én krimp in Overijssel

Prof. dr. Pieter Hooimeijer, hoogleraar Sociale Geografie en Demografie, verbonden aan de Universiteit Utrecht en cultureel geograaf dr. Tialda Haartsen, verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen publiceerden het artikel Groei én Krimp in de uitgave Ruimtelijke Kwaliteit in Ontwikkeling (Het Oversticht, 2015).  Een artikel over binnenlandse migratie en het (ruimtelijke) effect ervan op dorp en stad. 

Gepubliceerd28-06-2017
ThemaMens en ruimte

In 2006 werd Nederland opgeschrikt toen Derks et al. in hun rapport Structurele Bevolkingsdaling aandacht vroegen voor een nieuwe ontwikkeling: na een decennia lange sterke toename zou de bevolking van Nederland vanaf 2035 gaan afnemen. Intussen zijn de bevolkingsprognoses bijgesteld1. Op nationaal niveau zal de bevolking stagneren tussen 2040 en 2050 (rond de 18 miljoen inwoners), na 2050 zal de bevolking weer enigszins toenemen. Op nationaal niveau verwachten we dus geen structurele bevolkingsdaling. 

De nationale cijfers verhullen echter grote regionale verschillen. Groei en krimp zijn geografisch selectief. Op nationaal niveau zien we dat de Randstad mensen blijft aantrekken, terwijl perifeer Nederland nu al te maken heeft met bevolkingsafname. Op regionaal niveau zien we die selectiviteit ook terug: steden blijven (jonge) mensen aantrekken uit de omliggende gebieden. En ook binnen gemeenten zijn verschillen in groei en krimp te vinden tussen grotere en kleinere dorpen. De enige uitzondering op deze regel is Zuid-Limburg, waar het stedelijk gebied juist aan bewoners verliest en de sub-urbane gemeenten nog groeien. 

De provincie Overijssel weerspiegelt de nationale situatie op provinciaal niveau. De bevolking van Overijssel zal naar verwachting tot 2040 nog groeien van 1,14 naar 1,17 miljoen. Deze (beperkte) groei doet zich echter vooral voor in Noord-Overijssel (twee derde) en Zuidwest Overijssel (een derde). In Twente zal de bevolking in 2040 ongeveer gelijk zijn aan het huidige aantal (bijna 630 duizend). Binnen deze gebieden vindt een (beperkte) herverdeling plaats van meer landelijke naar meer stedelijke gemeenten (vooral in de kop van Overijssel). 

Hoewel velen terecht veronderstellen dat een afnemende bevolkingsgroei of krimp ook leidt tot minder woningbehoefte, is die relatie niet één op één. Door de sterke vergrijzing (de grijze druk2 in Nederland gaat van 30 nu naar 50 in 2040) worden huishoudens kleiner. Zelfs bij een gelijkblijvende bevolking kan het aantal huishoudens toenemen. In Twente bijvoorbeeld verwacht het CBS dat het aantal huishoudens tot 2040 nog met 20 duizend zal stijgen tot bijna 300 duizend. 

Uiteraard zijn deze cijfers met de nodige onzekerheden omgeven. In de laatste bijstelling door het CBS (van 2014) is bijvoorbeeld wel rekening gehouden met een veel grotere stroom asielzoekers (vooral uit Syrië en Eritrea) dan bij de vorige prognose, maar de huidige aantallen zijn veel groter dan verwacht in 2014. Als die aantallen ook in 2016 en 2017 worden gehaald, zal de prognose een onderschatting geven. Op het totaal van de Nederlandse bevolking maakt dit niet zoveel uit, maar op het saldo van de bevolkingsgroei kan dit wel een effect hebben.

Migratie

Ook bij de binnenlandse migratie is de situatie momenteel wat onzeker. Sinds 2006 vertrekken meer inwoners uit Overijssel naar andere provincies dan er terugkomen. Twente had al veel langer een vertrekoverschot, maar dat geldt inmiddels ook voor Noord- en Zuidwest-Overijssel. Het gaat vooral om jongere leeftijdsgroepen, tussen de 15 en 34 jaar, en zij kiezen vaak een stad als bestemming, ook als ze binnen de provincie verhuizen. Er is een aantal verklaringen voor de sterkere aantrekkingskracht van steden3. De belangrijkste is waarschijnlijk de sterk toegenomen deelname aan het hoger onderwijs (HBO en WO). Aangezien de instellingen voor hoger onderwijs in de (middel)grote steden staan trekken veel jongeren als student naar de stad. De opkomst van de kenniseconomie maakt vervolgens dat zij ook werk vinden in de steden en daar vaker blijven. Een derde factor is de verandering in de woningbouw. Waar eerder de meeste gezinswoningen in de omliggende gemeenten werden gerealiseerd, is er met het op stoom komen van de Vinex-locaties aan de rand van de stad een mogelijkheid gekomen om ook in de stad te blijven als men kinderen krijgt. De ladder van duurzame verstedelijking kan met betrekking tot de woningbouw worden samengevat als: in de stad, aan de stad en buiten de stad als volgorde waarin bouwlocaties (mogen) worden ontwikkeld. Met Stadshagen als grote Vinex-wijk heeft Zwolle bijvoorbeeld een belangrijke stap gezet. Sinds de millenniumwisseling is de stad met bijna 20.000 inwoners gegroeid en doet het daarmee niet veel slechter dan de stad Groningen en even goed als Eindhoven of Breda. Enschede daarentegen is maar beperkt in bevolking toegenomen. Het gaat niet alleen om de lokale of regionale economie, maar ook om de verbindingen met de Randstad en andere middelgrote steden. Dat geeft Zwolle een comparatief voordeel op Twente. 

Op het platteland zijn de belangrijkste verhuisbewegingen die van de ”oudere ouderen“ naar grotere dorpen met relatief veel voorzieningen in de centra en voor ouderen geschikte appartementen en/of bungalows. 

Nieuwkomers en terugkeerders

Uit onderzoek aan de Universiteit Groningen4 blijkt dat veel mensen die zich in kleinere dorpen verder van de stad vestigen in feite terugkeerders zijn. Zij hebben eerder in het dorp gewoond of zijn opgegroeid op het platteland in de omgeving. Naast de prijs/kwaliteitverhouding van de woning komen zij vaak vanwege sociale motieven: familie of vrienden nabij en/of ouders die op de kinderen kunnen passen. De dorpen dichterbij de stad houden hun aantrekkelijkheid als suburbane gemeente. 

Daarnaast is er een categorie ouderen die, na een werkzaam leven elders, hun ’roots’ weer opzoeken. Er wordt wel gesproken van Hunkertukkers: Twentenaren die zijn vertrokken, maar hunkeren om terug te keren naar het Twentse land, de mensen, tradities en het landschap. De omvang van deze ‘pensioenmigratie’ is in Nederland echter geringer dan bijvoorbeeld in Frankrijk of Engeland. Niet alleen hebben veel mensen daar een ‘tweede huis’, vaak een woning van de familie in de streek waar ze vandaan komen, en brengen ze daar vaak weekenden/vakanties door, ook zijn de stedelijke woonmilieus in die landen veel duurder en van mindere kwaliteit dan in Nederland. Ook in de buurt van Amsterdam zijn aantrekkelijke rurale en suburbane woonmilieus te vinden en men hoeft in Nederland niet tot na de pensionering te wachten om buiten de stad te kunnen wonen. De Randstad als groene metropool houdt veel mensen ook op latere leeftijd vast. Waar South-East Engeland en Île-de France een zogenoemde ‘roltrapregio’5 zijn waar mensen weer vertrekken op het moment dat ze een vaste werkkring elders kunnen krijgen of met pensioen gaan, zien we dat in Nederland veel minder gebeuren. Wel blijken toeristisch aantrekkelijke gebieden en gemeenten meer pensioenmigranten aan te trekken. De afstanden en klimatologische verschillen zijn in Nederland echter veel kleiner dan in Zweden, het Verenigd Koninkrijk of Frankrijk en van een massale trek naar het zuiden is hier dan ook geen sprake. Voor veel kleinere kernen buiten de stedelijke invloedsfeer is krimp dan ook een reëel perspectief.

Krimpbeleid in Nederland

In 2009 is het Interbestuurlijk Actieplan Bevolkingsdaling opgesteld, met als doel het waarborgen van de leefbaarheid voor inwoners in gebieden waar de bevolking al afneemt en in gebieden die moeten anticiperen op toekomstige bevolkingsafname. Het Actieplan heeft in Overijssel geen krimp of anticipeergebieden aangewezen. De verwachte bevolkingsdaling zal niet zo sterk zijn dat extra beleid noodzakelijk is en er zal nauwelijks sprake zijn van huishoudensdaling. Dit betekent dat regionale partijen en overheden zelf doordacht beleid zullen moeten ontwikkelen voor het omgaan met vergrijzing, ontgroening en de combinatie van bevolkingsgroei in de ene regio, en - afname in de andere regio. Juist de combinatie van groei en krimpgebieden is kansrijk: zolang er een stedelijke agglomeratie binnen forensenafstand is, zijn er mogelijkheden om in de regio te blijven of te gaan wonen. In het Actieplan Bevolkingsdaling worden drie inhoudelijke pijlers geïdentificeerd waar gevolgen van bevolkingsdaling kunnen worden verwacht: wonen, voorzieningen en economie.

Woningmarkt, voorzieningen, economie en arbeidsmarkt

Op de woningmarkt ontstaan structurele problemen op het moment dat het aantal huishoudens afneemt, omdat dan ook de woningvoorraad moet krimpen. Daarbij is niet het probleem dat er woningen moeten worden gesloopt, maar dat op de plek van die woningen niet iets anders kan worden terug gebouwd. De grondwaarde wordt dan negatief. Soms is verdunning een oplossing, als er koopkrachtige vraag is naar grote vrijstaande woningen. Een dergelijke vraag doet zich echter juist in de krimpgebieden nauwelijks voor. 

Voor Overijssel is de aanpassing van de woningvoorraad aan de doorlopende vergrijzing (tot 2040, daarna stabiliseert de grijze druk ) een grotere uitdaging. Weliswaar neemt de (ervaren) gezondheid op latere leeftijd toe, maar mensen worden ook steeds ouder en de dubbele vergrijzing vraagt om meer geschikte woningen, zeker op het platteland. In een ontspannen markt is het echter soms moeilijk de woningen die door verhuizingen beschikbaar komen weer te verkopen of verhuren. Een weloverwogen woningbouwbeleid, waarbij de totale regionale behoefte normstellend is voor het aantal toevoegingen aan de voorraad en de verdeling over de gemeenten wordt gecoördineerd, is dan noodzakelijk. Door beleidsconcurrentie tussen gemeenten worden op diverse plaatsen in Nederland te veel woningen gepland. Het tegengaan van dergelijke overprogrammering is een belangrijke opgave voor de provincie. Als gevolg van het beleid gericht op langer zelfstandig wonen, zullen bestaande verzorgingshuizen moeten worden omgebouwd tot verpleeghuizen of uit de markt worden genomen. Intensieve thuiszorg is in steden efficiënter te organiseren dan op het platteland. Ook hier kan regionale samenwerking behulpzaam zijn. 

Teloorgang van voorzieningen wordt vaak geweten aan krimp, maar wordt daar slechts deels door veroorzaakt. Andere oorzaken zijn de schaalvergroting van voorzieningen in het hele land en de opkomst van het internetwinkelen. Ook in het onderwijs is de relatie met krimp niet direct. Met een enkele uitzondering (o.a. Amsterdam en Zuid-Limburg) daalt in alle gemeenten in Nederland het aantal basisschoolleerlingen. De oorzaak is de babyboom uit de vorige eeuw (in de periode 1975-1990 werden er minder kinderen geboren dan ervoor en erna). Die baby-bust leidt dertig jaar later tot een kleiner aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd en daarmee, bij een gelijkblijvende vruchtbaarheid per vrouw, tot minder jonge kinderen. In veel kleine kernen, ook buiten de krimpgebieden, betekent dit soms dat de laatste school moet sluiten of zo klein wordt dat de kwaliteit van het onderwijs eronder lijdt. Eerder leidde dat vaak tot pogingen de basale voorzieningen in stand te houden. Inmiddels is er in toenemende mate oog voor behoud van bereikbare voorzieningen in een selectie van dorpen, in plaats van behoud van voorzieningen in elk dorp. Groepen gemeenten proberen voorzieningenspreidingsplannen strategische keuzes te maken en zoeken naar manieren om deze plannen lokaal gedragen vorm te geven. 

Het team dat de evaluatie van het Actieprogramma Bevolkingsdaling6 uitvoerde, constateert een spanning tussen enerzijds initiatieven die lokaal ontstaan en een lokaal belang dienen en anderzijds ontwikkelingen waarbij overheden en maatschappelijke instellingen op regionaal niveau voorzieningen herschikken en samenbrengen. Aan het bundelen en samenbrengen van voorzieningen op regionaal niveau liggen criteria ten grondslag die rationeel van aard zijn en gericht op een combinatie van efficiency en verdeling over locaties ten behoeve van bereikbaarheid. Lokale initiatieven staan soms haaks op het regionale spreidingsbeleid voor voorzieningen, maar dragen wel bij aan de leefbaarheid op lokaal niveau. Meerdere onderzoeken hebben overigens uitgewezen dat het verdwijnen van voorzieningen niet ten koste te hoeft gaan van de leefbaarheid. Met minder voorzieningen kunnen weer ander vormen van vitaliteit ontstaan. Het is echter wel van belang dat voorzieningen voor een ieder bereikbaar blijven. Een goede infrastructuur en openbaar vervoernetwerk, aangevuld met bewonersinitiatieven kunnen daar een positieve bijdrage aan leveren.

Mobiliteit is een thema dat eigenlijk met alle drie de pijlers te maken heeft en daardoor mogelijk ondergesneeuwd raakt. Bereikbaarheid is een voorwaarde voor economische vitaliteit, maar is ook van belang voor voorzieningen. In krimpgebieden is de reistijd van autoverkeer en openbaar vervoer een punt. Daarnaast mag de digitale bereikbaarheid niet worden vergeten. Ook dit vergt investeringen.

Conclusie

In de discussie over de demografische ontwikkeling is een beeld ontstaan dat de krimp zich vanuit de periferie uitbreidt over geheel Nederland en dat het daarom zaak is hier overal op te anticiperen. De werkelijkheid is echter dat in de komende jaren groei en krimp naast elkaar zullen bestaan en dat ook provincies die nu nog niet zijn ‘aangewezen’ als mogelijk krimpgebied zich met deze problematiek moeten bezig houden. De steden hebben de komende jaren betere kansen om te groeien dan het platteland en de gevolgen van een bevolkingsdaling zullen op het platteland harder aankomen. Zolang het om plaatsen gaat die binnen forensenafstand van een sterke stad liggen hoeft dit niet problematisch te zijn, als de woningbouw zorgvuldig wordt afgestemd en overproductie wordt voorkomen. Hier ligt een taak voor de overheid, omdat de markt dit niet automatisch zal corrigeren. Koopkrachtige vraag in één segment kan zeer wel gepaard gaan met leegstand in andere segmenten en daarmee leiden tot kapitaalvernietiging. Plattelandsgemeenten op grotere afstand van de stad zijn veel kwetsbaarder. Zij kunnen niet ‘lenen’ van de arbeidsmarkt bij de buren en moeten op eigen kracht hun dorpen leefbaar zien te houden. Het bouwen van meer huizen in die dorpen maakt het probleem eerder groter dan kleiner, omdat dit de leegstand aanwakkert. Goede onderlinge afstemming en ondersteuning van burgerinitiatieven gericht op de instandhouding van sociale netwerken (verenigingsleven, sport, vervoer) is een betere strategie voor die delen van het land.

 

Noten
Zie CBS-Statline onder het thema Bevolking
De grijze druk is het aantal 65-plussers gedeeld door het aantal 20-65 jarigen, maal 100.
Zie PBL (2015) De stad: magneet, roltrap en spons
O.a. Rixt Bijker (2013) Migration to less popular rural areas. Groningen:proefschrift
Het begrip roltrapregio of ‘escalator region’ is geïntroduceerd door de Britse geograaf Anthony Fielding die daarmee de functie van het centraal stedelijk gebied (South-East England in het Verenigd Koninkrijk) aanduidt als vestigingsgebied voor mensen aan het begin van het arbeidscarrière. Een deel van hen verruilt het centraal stedelijk gebied weer voor meer perifere gebieden als ze carrière hebben gemaakt. In Nederland wordt dit begrip ten onrechte gebruikt om de verhuisstromen binnen een stadgewest te beschrijven (tussen centrale stad en groeikernen). Je hoeft echter niet naar de stad te verhuizen om carrière te maken, je kunt ook pendelen.
Grenzen aan de krimp. Rapportage van het Team Midterm Review Bevolkingsdaling. 2014 Ministerie van BZK

Literatuur

  • Bijker, R., 2013. Migration to less popular rural areas. Universtiteit Groningen:proefschrift
  • BZK, 2014. Grenzen aan de krimp. Rapportage van het Team Midterm Review Bevolkingsdaling
  • CBS, 2015. Bevolking.  
  • PBL (2015) De stad: magneet, roltrap en spons
  • PRIMOS, team Beleidsinformatie, 2013. Bevolkingsontwikkeling en Bevolkingsprognose tot 2015: minder inwoners