Actueel

Eeuwige schoonheid

Door de jaren heen is Het Oversticht met haar tijd meegegaan in hoe zij nieuwe ontwikkelingen probeert te laten aansluiten op de bestaande omgeving. Volgens sommigen is dit de reden waarom het instituut welstandscommissie nog steeds kan bestaan. Maar in welke opzichten zijn de criteria dan eigenlijk veranderd ten opzichte van een eeuw geleden?

Gepubliceerd02-12-2019
ThemaPlanontwikkeling en welstand

Steeds meer mensen lijken tegenwoordig geïnteresseerd in ‘de identiteit van de plek’ en de geschiedenis van het ‘lokale’. De specifieke historische karakteristieken van iemands eigen streek of buurt vormen een tegenhanger van onze samenleving die steeds meer globaliseert. We worden geconfronteerd met veel en snelle veranderingen in onze leefomgeving.

Een eeuw geleden waren dit soort snelle veranderingen er ook, aangewakkerd door economische groei die samenhing met de industrialisering. Dit was in Nederland aanleiding voor de overheid, maar ook voor bezorgde burgers en architecten, om de uiterlijke verschijningsvorm hiervan in de gebouwde omgeving te bewaken. In 1901 kwam de Woningwet, die bouwen aan regelgeving onderwierp. In 1918 werd in de nieuwe bouwverordening opgenomen dat zowel veiligheid als gezondheid als welstand van gebouwen voldoende moesten zijn. Pas met het oprichten van ‘schoonheidscommissies’ werd naast bouwtechnische kwaliteit ook esthetiek een factor die meewoog in het beoordelen van nieuwe ontwerpen. Dit gebeurt nog steeds.

In 1925 werd de schoonheidscommissie Het Oversticht opgericht, met als doel: ‘de bevordering en instandhouding van het landelijk en stedelijk schoon in de provincie Overijssel’. Nog steeds beoordelen architecten en architectuurhistorici van Het Oversticht bijna dagelijks bouwplannen in de welstandscommissies van verschillende gemeentes in Overijssel op de ‘redelijke eisen van welstand’. Men moet daarbij niet te veel obstakels leggen bij de bouwer. Ook blijven ‘hangen in het verleden’ is niet wenselijk. Bouwplannen worden expliciet óók beoordeeld op ‘eigentijdsheid’.

Door de jaren heen is Het Oversticht met haar tijd meegegaan in hoe zij nieuwe ontwikkelingen probeert te laten aansluiten op de bestaande omgeving. Volgens sommigen is dit de reden waarom het instituut welstandscommissie nog steeds kan bestaan. Maar in welke opzichten zijn de criteria dan eigenlijk veranderd ten opzichte van een eeuw geleden?

In vergelijking met nu waren de eerste leden van de schoonheidscommissie heel wat uitgesprokener over wat goede en wat slechte architectuur was. “In den […] “goeden ouden tijd” schenen de bouwers als bij intuïtie den samenhang tusschen het door hen te maken bouwwerk en de omgeving te gevoelen. […] In de laatste eeuw is dit geheel veranderd. Te veel amateurs wierpen zich op het bouwvak, te veel materialen voor versiering van het huis werden uitgevonden. […] Achteruitgang, tenslotte verwording van de bouwkunst is daarvan het gevolg geweest, zoodat vooral ten plattelande wel haast geen huis verrees, hetzij door kleur, hetzij door vorm, hetzij door zoogenaamde versieringen, geheel uit de omgeving viel niet alleen, maar ook op zich zelf beschouwd vloekte tegen elk begrip van bouwkunst.”, lezen we in een publicatie uit 1928. Hierin is ook te zien hoe men zelf de pen ter hand nam en ingezonden ontwerpen ‘verbeterde’ door ze harmonieuzer te proportioneren in volume en gevelindeling, waardoor ze meer aansloten op de ambachtelijke bouwtraditie. Deze was geschoold op de Vitruviaanse principes van schoonheid, duurzaamheid en gebruikswaarde (venustas, firmitas, utilitas).

Volgens de huidige welstandsnota’s moet een nieuw gebouw aansluiten op de bestaande omgeving maar mag het zijn eigen, moderne functie niet ontkennen. Met andere woorden, het moet waarachtig zijn. Met name vanaf de Wederopbouw gaf dit problemen: de nieuwe realiteit van de moderniteit deed grootschaliger dan ooit haar intrede in de gebouwde omgeving en vormde er hoe dan ook een breuk mee. Het nut van het bestaan van schoonheidscommissies werd betwijfeld.

Wat is schoonheid?
Door alle maatschappelijke veranderingen die zich na de oorlog voltrokken, werd het nodig schoonheid opnieuw te definiëren. Het ontbreken van een consensus zorgde ervoor dat niemand het erover eens wat deze nieuwe definitie dan zou moeten zijn. Daarom is er in het voortbestaan van welstand daarna een grote reeks verhandelingen, nota’s en literatuur gepubliceerd die het ontbreken van duidelijke criteria aan de kaak stelt en zoekt naar een oplossing.

Rijksbouwmeester Tjeerd Dijkstra gaf in 1985 in de notitie ‘Architectonische kwaliteit. Een notitie over architectuurbeleid’ handen en voeten aan het begrip architectonische kwaliteit. In 1990 werd in de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening aanbevolen welstand om te zetten naar ‘commissies ruimtelijke kwaliteit’. Schoonheid werd onderdeel van een breder begrip van wat kwaliteit was. Volgens Dijkstra moest er in een gebouw sprake zijn van onderlinge samenhang, helderheid en complexiteit, goede verhoudingen en eigentijdsheid. Eigentijdsheid betekende in de praktijk dat de (moderne) functie van het gebouw tot uiting kwam in de vorm. Nog steeds worden de principes die Dijkstra formuleerde gebruikt in de huidige welstandsnota’s.

Eis van eigentijdsheid
Omdat het bereiken van samenhang met de bestaande omgeving voor de welstandscommissie nog steeds een kerndoel is, moet dit verenigd worden met de eis van eigentijdsheid. En dit blijkt vaak complex. Het tot uiting doen komen van een moderne functie in het materiaal, de bouwmethode en de schaal van nieuwbouw is een opgave op zich. Het is nog moeilijker om deze verschijningsvorm te laten aansluiten op een bestaande omgeving, als deze uit een tijdperk van vóór de modernisering stamt.

Het Oversticht lijkt er voorlopig een oplossing voor te hebben gevonden. Samenhang met de omgeving wordt bereikt door deze omgeving zo precies mogelijk te definiëren. De bouwopgave wordt zeer specifiek toegespitst op de situatie. Hierbij hanteert de welstandscommissie criteria per gebied. Of deze oplossing bruikbaar genoeg blijkt in de praktijk, moet de tijd leren.

Merel Spruit deed tijdens haar stage bij Het Oversticht onderzoek naar de geschiedenis van welstand.

Delen

Deel dit item met iemand anders.


Wij gebruiken jouw gegevens enkel om jouw bericht te beantwoorden en niet voor andere doeleinden. Lees meer in onze privacyverklaring.