Blog

Gesien van Altena: groot geworden in de wereld van de wederopbouw

Ik ben geboren in 1959 en opgegroeid in zo’n typisch Nederlands rijtjeshuis uit die tijd: een eengezinswoning met een kleine voortuin, een behoorlijk diepe achtertuin en achter het huis een vrijstaande schuur met ingebouwd kolenhok. Mijn ouders waren in de wolken toen ze de sleutel kregen van het nieuwgebouwde huis.


Want na hun huwelijk woonden ze, vanwege de grote woningnood, enige tijd in. En later zelfs enige tijd apart, toen mijn vader elders een baan in het onderwijs gevonden had en kostganger was bij een weduwe die de inkomsten goed kon gebruiken. Het was een overzichtelijke wereld. Het gezin was de hoeksteen van de samenleving. De man verdiende de kost, de vrouw zorgde voor de kinderen en ‘bestuurde’ het huishouden, zoals het geïllustreerde handboek Ik kan huishouden uit 1954 leerde. Dat laatste was geen kleinigheid, maar vereiste de nodige vakkennis over werkplanning, onderhoud en reparaties, inrichting van de woning, opvoeding, recht, omgangsvormen; zoals de inhoudsopgave van het boek leert. Het was handig dat veel middenstanders aan de deur kwamen. Bij ons waren dat de bakker, de melkboer, de kruidenier, de kolenboer, de voddenman, de schillenboer. Naar de slager en de groenteman mocht ik als klein meisje alleen. Geld mee hoefde niet, de boodschappen werden door de winkeliers opgeschreven. Bij de slager kreeg je een plakje worst, bij de groenteman een snoepje (sic!). De Gereformeerde kerk was op loopafstand. De Protestants Christelijke kleuterschool en lagere school (met de bijbel) lagen er vlakbij. Als klaar-over loodste ik de kleinere kinderen veilig twee verkeerswegen over. In de schoolvakanties gingen we weg in eigen land. Het simpele houten zomerhuisje in Zeeland, in een recreatiepark op voormalig agrarisch land, aanvankelijk zonder douche, was veruit favoriet. Ik schets u mijn wereld in de tijd van de wederopbouw. 

Met de periode van de wederopbouw wordt doorgaans het tijdvak 1940-1965 bedoeld. Nederland werd na de tweede wereldoorlog letterlijk weer opgebouwd. Allereerst speelde natuurlijk het herstel van oorlogsschade. De woningnood was nijpend. Er kwamen tijdelijke oplossingen, zoals de houten bouwpakketten uit Oostenrijk en de zogenoemde Duplex-woningen, met twee wooneenheden onder één dak, later samen te voegen tot een ‘normale’ eengezinswoning. Maar er werd vooral op grote schaal uitgebreid. Overal in het land werden in hoog tempo nieuwe woonwijken uit de grond gestampt, met gestandaardiseerde laagbouw èn met hoogbouw. Ideeën over een nieuwe samenleving zien we terug in de stedenbouwkundige opzet: brede straten, ruime pleinen, royale groenvoorzieningen, lichte en betaalbare woningen voor alle bevolkingsgroepen bepaalden het aanzien van de wijken van de wederopbouw. De architectuur was zowel traditioneel – woonhuizen met een eenvoudige hoofdvorm, bakstenen gevels en zadeldaken – als modern – wooneenheden waarin beton werd toegepast met platte daken en grote vensterpartijen. Door de in 1951 ingestelde rijksregeling voor de ‘decoratieve aankleding’ van belangrijke en representatieve gebouwen kwam veel monumentale kunst tot stand. Wandschilderingen, mozaïeken, tegeltableaus, beeldhouwwerk, reliëfs of bijvoorbeeld glas-in-beton ramen sierden onder meer overheidsgebouwen, kerken, scholen, woonhuizen en fabrieken. In de wijk was ruimte voor ontmoeting en recreatie, bijvoorbeeld bij de speelplaatsen voor de kinderen, in de parken of pleinen met sportvelden. Uit dit alles sprak optimisme en geloof in de toekomst.

De afgelopen jaren is er meer aandacht gekomen voor het ruimtelijk erfgoed van de wederopbouw, landelijk maar zeker ook provinciaal. In 2007 kwam minister Plasterk met zijn zogenoemde top 100 van potentiële rijksmonumenten van de wederopbouw. Dat was een eerste selectie van bouwwerken uit de periode 1940-1958. Die selectie kwam tot stand door van verschillende categorieën van bouwwerken (zoals raadhuizen, spoorwegstations, scholen, kerken, winkelcentra) de beschikbare literatuur te bestuderen en veldwerk te verrichten. Het referentiekader vormde de indeling in thema’s als ‘infrastructuur’, ‘verzuiling’, ‘economie’, ‘verzorgingsstaat’ of ‘vrije tijd’. Cruciaal was dat de betreffende monumenten toonaangevend zijn voor de belangrijkste stromingen in de architectuur, landinrichting, ruimtegebonden kunst of voor vernieuwingen in de bouwtechniek. Voor Overijssel stond alleen het St. Jozef ziekenhuis in Deventer uit 1957 op de lijst, naar ontwerp van J.A. van der Laan, J.B. Hermans en Th. M. van der Eerden.

Onlangs zijn door het rijk 30 gebieden van de wederopbouw aangewezen die speciale aandacht verdienen, waaronder de ruilverkaveling van Vriezenveen. Dit jaar heeft minister Bussemaker een selectie van bijna 100 uit het tijdvak 1959-1965 gepresenteerd. De gemeenten zijn dit keer geconsulteerd over de concept-lijst. Overijssel is nu iets royaler vertegenwoordigd. Vooral Hengelo springt er uit met de woonwijken Klein Driene I en II, de binnenstad, het Raadhuis uit 1963 (J.F. Berghoef en J.F. Hondius), de Europatunnel uit 1960 (S. van Ravesteyn) en de Sint-Raphaëlkerk uit 1959 (H.J. van Wissen). Verder staan op de lijst: het NS-station van Almelo uit 1962 (K. van der Gaast en J.H. Baas), een deel van de Tuinen van Mien Ruys in Dedemsvaart uit 1960, de Patiostudentenwoningen van de Technische Hogeschool Twente in Enschede uit 1964 (H.P.C. Haan), het Purfina-tankstation in Enschede uit 1961 (S. van Ravesteyn) en het Kantoor van Schrale's Beton in Zwolle uit 1960 (G. Th. Rietveld). Een aantal van deze bouwwerken was overigens al beschermd als gemeentelijk monument.

Een dergelijke selectieve bescherming werkt niet op regionaal of lokaal niveau. Want er gebeurt momenteel heel veel met de omvangrijke voorraad van het naoorlogse ruimtelijk erfgoed. Of het nu gaat om de aanpak voor herontwikkeling van een wijk van de wederopbouw, de vraag wat te doen met een leegstaande kerk of een vrijkomend schoolgebouw, het proces en traject bij de herbestemming van een oude fabriek, de keuze voor wel/geen sloop/grootschalige wijziging van een wederopbouwgebied of andere ruimtelijke en sociaal-economische vraagstukken: altijd zal goed beargumenteerd moeten worden hoe is omgegaan met de cultuurhistorische waarden van het zo kenmerkende erfgoed van de wederopbouw. Gemeenten staan daarmee voor belangrijke beslissingen. En dan is het cruciaal te weten wat er is aan erfgoed van de wederopbouw, wat je ermee wilt en hoe je dat gaat bereiken.

Een eerste provinciebrede verkenning naar de enorme bouwproductie van de wederopbouw heeft Het Oversticht, in opdracht van de provincie Overijssel, enkele jaren geleden verricht in het programma Naoorlogs Bouwen in Overijssel (NOBO). De inventarisaties in het project richtten zich op kerken, wijken en monumentale kunst en werden vastgelegd in diverse publicaties. Deze eerste overzichten van het erfgoed van de wederopbouw in Overijssel bieden een goede basis voor verder onderzoek en een preciezere waardestelling van dat naoorlogse erfgoed. Dat maakt het mogelijk de juiste beleidsinstrumenten in te zetten om de ruimtelijke kwaliteit adequaat te borgen. Dit alles helpt gemeenten bij het maken van goed onderbouwde keuzes bij ruimtelijke en overige ontwikkelingen rond het erfgoed van de wederopbouw. Een aantal gemeenten is hier inmiddels al flink mee aan de slag gegaan. Hopelijk volgen alle andere gemeenten in hun voetspoor.

Adviseur

Gesien van Altena

Gesien van Altena

architectuurhistoricus

Stuur een bericht

Contact

Stuur een bericht en
u ontvangt zo snel mogelijk een reactie.
Altijd op de hoogte?

Actuele projecten, ontwikkelingen, achtergronden en bijeenkomsten: mis het niet en meld u aan!